De Lachende Cavalier

Geschiedenis voor een breed publiek

BLOGBOEK

Historische artikelen over uiteenlopende onderwerpen

De artikelen, behalve de blogs, zijn gepubliceerd:
-in Quest Historie, Oog-Tijdschrift van het Rijksmuseum, bundels Schaakstukkenmuseum, Sp!ts, LEVEN
-op Kennislink.nl, Nu.nl, Anno.nl en Schaakstukkenmuseum.nl.

Volg De Lachende Cavalier ook op Twitter en Facebook!

       

view:  full / summary

Onderwaterarcheologie legt oude handelsroutes bloot

Posted on December 21, 2013 at 12:00 AM Comments comments (1)

Rond 1635 verging vlak bij Texel een groot schip. Het wrak zou pas in 1984 bij toeval ontdekt worden en in de jaren daarna doken onderwaterarcheologen het op. Het onderzoek stokte alleen door gebrek aan capaciteit en de vondsten lagen te verstoffen op de plank. Tot nu.
(Het complete artikel incl afbeeldingen is op 20/12/2013 gepubliceerd op Kennislink.nl)

Onderwaterarcheoloog Alice Overmeer dook naar het wrak en onderzocht de vondsten die naar boven kwamen. Ze vertelt Kennislink over hoe ze verzeild raakte in de onderwaterarcheologie en over het onderzoek naar het wrak.

Alice: “Tijdens mijn studie archeologie aan de Universiteit Leiden kreeg ik colleges onderwaterarcheologie van Thijs Maarleveld. Hij was op dat moment de enige professionele onderwaterarcheoloog in dienst van het ROB-NISA, nu de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). In de zomer nam Thijs studenten mee naar de opgraving van het wrak bij Texel, Aanloop Molengat gedoopt naar de vindplek, en ik was daar ook bij. Als ‘vondstverwerkertje’ noteerde ik alles wat de duikers naar boven brachten. Ik ben daarna zo snel mogelijk mijn beroepsbrevet gaan halen en het eerste wrak waar ik op dook, was Aanloop Molengat.”

Onderwaterarcheologie is ondanks ons maritieme verleden maar een klein specialisme binnen de archeologie. Het halen van het verplichte professionele duikbrevet is duur en de werkomstandigheden gevaarlijk. Er is ook geen specifieke opleiding tot onderwaterarcheoloog in Nederland. Naar wrakken duiken was lang iets voor sportduikers. De vondst van Aanloop Molengat zorgde voor enige professionalisering door de aanstelling van een onderwaterarcheoloog bij het toenmalige ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

Alice vertelt verder: “Maar weinig mensen hielden zich met deze discipline bezig en Aanloop Molengat was de eerste professionele onderwateropgraving in de Noordzee. Pas in 1995 ontstond er een voltallig archeologisch duikteam bij ROB-NISA. Tot die tijd moest Thijs het doen met hulp van tijdelijke professionals, maar vooral van vrijwilligers, studenten en sportduikers. Hierbij waren de tips van lokale vissers, die op scheepswrakken stuitten, ook erg belangrijk. De opgraving van Aanloop Molengat duurde lang: van 1985 tot 1999. Dit kwam vooral door omstandigheden. Het wrak ligt op 16 meter diep zodat het duikteam maar een beperkte tijd onder water kon werken. De weersomstandigheden op de Noordzee zijn ook niet ideaal om te duiken en zorgden voor veel uitval.”

Van 3-D naar 2-D
De 14 jaar aan opgravingen had heel wat objecten naar boven gebracht. Het schip zelf was met behulp van stereofotografie van voor tot achteren gefotografeerd. Dit zou bij uitwerking een 3-D model opleveren, maar daar was in de jaren negentig geen capaciteit voor. Er waren teveel wrakken om te onderzoeken en te weinig mensen om het onderzoeksmateriaal uit te werken tot een overzichtsrapport. Alle objecten en informatie lagen een beetje te verstoffen, tot het NWO-programma Odyssee. Met behulp van beurzen voor archeologieonderzoek dat nog op de plank ligt, ontsluit dit programma bijzondere vondsten voor een breed publiek. Met deze beurs kon Alice, samen met Thijs Maarleveld en vele vele anderen, in 2012 weer aan de slag met Aanloop Molengat.

Alice: “De beurs was maar voor een jaar, dus hier moesten we keuzes maken. Een 3-D model zat er niet in, daarvoor hadden we de expertise niet in huis, dus heb ik een 2-D tekening gemaakt. Verder zouden we alle objecten digitaliseren en beschrijven, om ze voor iedereen toegankelijk te maken. Hierbij kwamen wat lijken uit de kast: door meerdere verhuizingen van de objecten, zat alles nog in dozen. Bij het uitpakken bleken het niet de verwachte 750 objecten te zijn, maar ruim 3000. En daarnaast ook nog papieren rapporten en honderden dia’s en foto’s. Een enorm werk, maar het is uiteindelijk gelukt.

Opvallende uitkomsten onderzoek
Alice: “Om er achter te komen waar het schip naar toe ging, hebben we naar de lading gekeken. Het wrak Aanloop Molengat zat vol met industriële producten die nog tot eindproducten verwerkt moesten worden. Veel zwaar materiaal en het schip moet dan ook erg diep in het water hebben gelegen. Voorbeelden van halffabricaten die we hebben opgedoken zijn runderhuiden, kwik, rolletjes tin, smeedijzer en textielloodjes. De balen luxe textiel waren zelf vergaan maar de loodjes, een keuringsmerk, lagen nog wel in het wrak.”

“Hier zaten loodjes bij met daarop het productiejaar, 1635, en de Leidse sleutels. De bijbehorende stoffen kwamen dus uit Leiden en zullen vanwege hun hoge waarde niet lang op de plank hebben gelegen. We gaan er van uit dat het schip in 1635 of kort erna gezonken is. Dit jaartal kwam overeen met de uitkomst van het dendrochronologisch onderzoek naar het scheepshout.”

Met behulp van deze datering en de lading konden de onderzoekers een belangrijke bijdrage leveren aan de kennis over handelsroutes uit de zeventiende eeuw. Amsterdam was de stapelmarkt voor de meeste goederen uit het ruim, zodat aangenomen kan worden dat het schip vanuit Nederland op reis is gegaan. Maar waar kwam de lading vandaan? Het schip zat tjokvol goederen van over de hele wereld. Het tin bleek vanuit Tsjechië via Hamburg naar Nederland te zijn gebracht. De loodblokken kwamen uit Polen. Het textiel uit Leiden, Delft en de Vlaamse steden Bergen en Hondschoote. Het smeedijzer uit Zweden of Duitsland. Olifantstanden uit Afrika en peper uit Azië.

De runderhuiden zullen uit Spanje of Zuid-Amerika zijn gekomen, ondanks dat de Nederlanden daarmee in oorlog waren. DNA-onderzoek had hier uitsluitsel over moeten geven, maar helaas bleken de haren op het leer te veel vervuild. Het schip vervoerde ook kwik maar naar de beste manier waarop dat kon, waren de zeventiende-eeuwers nog zoekende. Uit het onderzoek is gebleken dat dit schip het zware metaal, dat vloeibaar blijft tot -38 graden Celsius, in glazen flesjes met loden doppen vervoerde.

“Om welk schip het hier gaat en waar hij heen ging, hebben we nog niet kunnen achterhalen,” zegt Alice. “We konden geen naam terugvinden in de vaak incomplete bronnen. Aanloop Molengat was een groot schip van 300 last. De meeste schepen van die afmeting voeren voor de VOC of WIC de oceanen over, richting Verre Oosten en Nieuwe Westen. In de VOC en WIC archieven is goed terug te vinden welk schip wanneer en waarheen vertrok en wat de lading was. In deze archieven is geen match gevonden met het wrak, dus de bestemmingen oost en west vallen af.”

Het Oostzeegebied zou een bestemming kunnen zijn vanwege de vraag uit dit gebied naar de soort lading van het schip. In de tolregisters aan de Sont, waarbij afmeting en lading van elk passerend schip werden genoteerd om de hoogte van de tol vast te stellen, staan echter een stuk kleinere schepen. Deze bestemming valt dus ook af. (De Sonttolregisters zijn online te bekijken.)

De derde en meest waarschijnlijke optie is een Straatvaarder: een schip dat via het Kanaal naar Frankrijk voer. De lading halffabricaten konden heel goed gebruikt worden om wapens van te maken en Frankrijk lag vanaf 1635 met Spanje overhoop tijdens de Spaans-Franse oorlog. De vraag is dan nog of het om een bestelling voor de wapenindustrie ging, of om een illegale levering. Deze theorie hebben de onderzoekers nog niet hard kunnen maken en wordt op dit moment nog verder onderzocht.

Vondsten voor het publiek
Uiteindelijk is het de onderzoekers gelukt om al die duizenden objecten uit het wrak te digitaliseren en met bijschrift in EDNA te plaatsen, het e-depot voor de Nederlandse archeologie. Vanaf 19 december 2013 kan iedereen die meer over het wrak en zijn lading wil weten, terecht in deze database.

Alice:" De digitalisering is voornamelijk belangrijk voor andere onderzoekers. Omdat de onderwaterarcheologie nog zo jong is, zijn er weinig onderzoeken en gegevens om mee te vergelijken bij nieuw onderzoek. Elk nieuw project is dus welkom om meer gegevens en kennis te genereren. Tot nu toe zijn er slechts wat kleine verkenningen gedaan en twee grote opgravingen. Naast Aanloop Molengat is Scheurrak SO het enige volledig opgegraven wrak." (Dat wil zeggen: geïnventariseerd en de lading aan land gebracht. De wrakken zelf liggen nog onder water.)

Scheurrak SO is een schip uit de 16e eeuw en in het filmpje vertelt Thijs Maarleveld meer over de opgraving en de bouwwijze van het schip.

Alice: “Een andere reden dat onderwateropgravingen zo belangrijk zijn, is om de mensen onze maritieme geschiedenis te kunnen laten zien. Je kunt moeilijk iedereen met een bootje de zee opsturen om te gaan kijken. Een deel van de opgedoken lading is nu te zien in het Maritiem en Juttersmuseum Kaap Skil op Texel. En vanaf 14 april 2014 komt het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden met een overzichtstentoonstelling van alle Odysseeprojecten, waaronder dus ook Aanloop Molengat.”

Verder kan iedereen die het interessant vindt om te kijken wat onderwaterarcheologen zo beetje opduiken uit de Nederlandse wateren, langs bij het Nationaal Depot voor Scheepsarcheologie in Lelystad. Hier zijn kanonnen en objecten uit wrakken te zien maar ook wrakstukken zelf: van een kano uit de Romeinse tijd tot wrakstukken uit de Flevopolder. In de tijd dat Flevoland nog Zuiderzee was, zijn er heel wat scheepjes vergaan. Deze wrakken zijn meestal kleiner dan Aanloop Molengat.

Kader: Skeletten?
Hele skeletten kom je weinig tegen bij onderwaterarcheologie. Meestal zijn de opvarenden tijdens de ramp al overboord gesprongen of weggevaren op reddingsboten. Wel heeft Alice een keer een laars gevonden met nog een voet erin. En een andere keer een schedel met een helm. Het leek in eerste instantie op een soldaat, maar later bleek de ‘helm’ een tinnen schaal te zijn. De schedel was van een 14-jarige jongen.

Over de onderzoeker
Alice Overmeer (Nootdorp, 1977) studeerde Pre- en Protohistorie van Noordwest-Europa aan de Universiteit Leiden. In 2000 studeerde ze af met een scriptie over de inventaris van het Scheurrak SO-wrak. Tussen 1999 en 2005 werkte ze bij het archeologisch duikteam van destijds ROB-NISA (nu RCE) waarna ze aan haar promotieonderzoek begon naar zeven overnaads gebouwde vrachtschepen uit de 15e en 16e eeuw. Van 2010 tot 2012 werkte ze aan het NWO/Odyssee-project Wrak Aanloop Molengat met onder andere haar vroegere docent Thijs Maarleveld. Hij is nu hoogleraar aan de Syddansk Universitet in Denemarken.

 

Bronnen
Thijs Maarleveld, Alice Overmeer, Aanloop Molengat – Maritime archaeology and intermediate trade during the Thirty Years’ War, Journal of Archaeology in the Low Countries 4-1 (October 2012)Datasets Aanloop Molengat via e-depotAlle objecten zijn te zien in de Beeldbank van RCE (zoeken op Aanloop Molengat)Blogs over de lading van het wrak:

- Mad as a hatter :over het kwik uit het wrak

- DNA uit stapels runderhuiden?

 

Boekentips voor de decembermaand

Posted on December 6, 2013 at 12:05 AM Comments comments (0)

December is de ultieme feestmaand en daar horen cadeautjes én lekker lezen voor de open haard bij. Maar wat te geven of te lezen met de feestdagen? De redactie Geschiedenis, Taal & Cultuur van Kennislink tipt interessante wetenschappelijke boeken. Leuk voor in de zak of onder de boom! En om zelf te houden natuurlijk…
(Het complete artikel, inclusief afbeeldingen en recensies van andere redacteuren, is 5/12/2013 gepubliceerd op Kennislink.nl)

Voor iedereen die interesse heeft in de historische banden tussen Nederland en Afrika, is Dof Goud een fijn boek om lezen. De auteur Gijs van der Ham (conservator Geschiedenis bij het Rijksmuseum) schets een overzichtelijk en duidelijk beeld van deze geschiedenis en hij heeft heel wat voorwerpen uit het Rijksmuseum om zijn verhaal mee te illustreren. De mooie foto’s leiden niet af: het zijn er niet genoeg om alleen een bladerboek te zijn. Gelukkig maar.

Wat deden die Nederlanders eigenlijk in Ghana? Dat ze het land Goudkust noemden, zegt eigenlijk al genoeg… Spanje en Portugal waren in de 15e eeuw de grootmachten en zij bezaten forten aan de kust van Afrika. Met de lokale handelaren ruilden ze schelpen voor goud, ivoor en slaven om in Amerika te laten werken. Na de Opstand tegen Spanje in 1568 gingen Nederlandse schepen langzaam zelf op pad om de wereld te verkennen. Begin 17e eeuw veroverden ze steeds meer forten aan de Afrikaanse kust en namen ze de handel over. Van het fort Elmina aan de Goudkust maakten de Nederlanders hun hoofdkwartier.

Van der Ham geeft vervolgens een kijkje in het leven van de ambtenaren die in opdracht van de WIC de handel in goede banen moesten leiden. Vanwege de enorme sterfte waagden vooral mannen van gewone komaf zich aan dit avontuur. In Afrika verdienden ze snel veel geld en stegen ze in aanzien. De Nederlanders woonden in het fort, dat naast het gelijknamige dorpje lag. Ze zagen de Afrikanen als wilden maar ze behandelden de lokale bevolking met respect. Ze hadden hen namelijk hard nodig om contacten te leggen en te onderhouden met koningen uit het binnenland, waar de gewilde ‘goederen’ vandaan komen. Maar niet alleen deze tussenpersonen werden met respect behandeld. De Nederlanders konden de inwoners niet onderwerpen aan Nederlandse wetten en ze moesten met afgevaardigden uit het stadje overleggen over bestuurlijke zaken.

Veel (getrouwde) Nederlanders hadden in Afrika ook een onofficiële vrouw. Opvallend is dat hier netjes toestemming voor werd gevraagd aan haar familie. (Over gedwongen onderwerping heeft Van der Ham het niet, hoewel ik me afvraag in hoeverre de slavinnen met rust werden gelaten.) Ging de ambtenaar weer naar Nederland dan nam hij soms zijn verwekte kroost mee voor een opleiding. Vanwege de hoge kosten konden alleen rijke ambtenaren dit betalen. De meeste kinderen bleven in Afrika, net als de moeders, en ook nu nog zijn er in Ghana afstammelingen te vinden met Nederlandse achternamen.

Vooral in de 17e werd er goed geld verdiend in Afrika. Maar met de krimpende economie in de 18e eeuw en de opkomst van Groot-Brittannië als wereldmacht, begonnen de forten verlies te leiden. Na de afschaffing van de slavenhandel (1812) besloot Nederland van Goudkust een kolonie te maken met winstgevende plantages. Ze maakte met Groot-Brittannië een verdeling van het gebied om de rust te garanderen. De Afrikaanse vorsten, die de Europeanen nog altijd als gasten zagen in hun land, pikten dit niet en pakten de wapens op. De rust wilde maar niet terugkeren en uiteindelijk ruilden de Nederlanders hun Afrikaanse gebieden voor het alleenrecht op het Indische eiland Sumatra.

Van der Ham legt nog even de nadruk op de gevolgen van het vertrek van de Nederlanders in 1872: de Britten begonnen onmiddellijk met hun imperialistische politiek en zouden enorme stukken van Afrika aan hun gezag onderwerpen. Nederland begon op hetzelfde moment met de dezelfde politiek, maar dan in Nederlands-Indië. De slavernij mocht dan afgeschaft zijn, de onderdrukking ging door.

Gijs van der Ham, Dof goud. Nederland en Ghana, 1593-1872 (Uitgverij VanTilt, 2013)

 

TomTom voor geschiedenis

Posted on November 20, 2013 at 12:05 AM Comments comments (0)

HISGIS, een historisch geografisch informatiesysteem is een nieuwe kaart rijker: die van Amsterdam. Iedereen die het leuk vindt kan nu zelf aan de slag met historische gegevens uit de 19e eeuw, verspreid over de stadsplattegrond. Tijdreizen komt zo erg dichtbij…
(Het complete artikel, inclusief afbeeldingen, is 19 november gepubliceerd op Kennislink.nl)

Geografische informatiesystemen (GIS) zijn zonder dat we het door hebben een belangrijk onderdeel geworden van ons leven. De TomTom valt hier ook onder. En zeg nu zelf, wie vindt nog de weg zonder? Een geografisch informatiesysteem is dus eigenlijk een systeem waarmee waarmee locatiegegevens of informatie over geografische objecten niet alleen worden bewaard maar ook bewerkt, vergeleken met andere informatie en geanalyseerd.

GIS in geschiedenis
In de geschiedwetenschappen is het gebruik van GIS nog niet helemaal doorgedrongen: het wordt eigenlijk vooral gebruikt in de archeologie en bouwhistorie. HISGIS hoopt hier verandering in te kunnen brengen. Historische informatie, zoals het gebruik van percelen, de namen en beroepen van de eigenaren of hun stemgedrag, zijn gegevens die je op de site van HISGIS kunt oproepen en vergelijken.

Het systeem koppelt de informatie met de plattegrond van Amsterdam en voilà, je ziet hoe de kiezers zich concentreerden in bepaalde gebieden van de stad of waar verschillende religies bij elkaar of juist gescheiden woonden en hoe dat door de tijd heen veranderde. De plattegrond die aan de basis ligt van dit uitgebreide informatiesysteem, danken we aan Napoleon Bonaparte.

Nadat Napoleon in 1810 Nederland had toegevoegd aan zijn enorme Franse Keizerrijk, veranderde er een aantal zaken op bestuurlijk vlak. Hij voerde de Code Napoleon in, het Franse burgerlijk wetboek, met een rechtssysteem dat in heel het land gelijk was. Daarnaast stelde hij meters en kilogrammen in (waar maten en gewichten eerst per stad verschilden), moest iedere burger zich voortaan bij de nieuwe burgerlijke stand inschrijven met een (zelfverzonnen of al bestaande) achternaam en riep hij het kadaster in het leven.

Deze maatregelen nam hij om efficiënter recht te kunnen spreken, belasting te kunnen heffen die zijn veldtochten moesten bekostigen en mannen op te kunnen roepen voor de dienstplicht. Deze nationale administratie en bureaucratische instrumenten bleken echter een stuk handiger dan de administratie en bureaucratie per gewest of stad. Nederlandse bestuurders zijn ze dan ook, eventueel wat aangepast, blijven gebruiken nadat Napoleon en zijn leger in 1813 het land waren uitgejaagd.

Het kadaster is een register van onroerende goederen, zoals huizen en de grond waar ze op staan, dat door de overheid wordt bijgehouden. Onder Napoleon begonnen de eerste metingen en in 1832 hadden de landmeters elk perceel in kaart gebracht en waren de gegevens van de eigenaren geregistreerd. Nederland was voor het eerst compleet in beeld. Voor het ontstaan van het kadaster maakten kaartenmakers ook al kaarten, maar dit waren voornamelijk stadsplattegronden, kaarten van een bepaald gebied of zeekaarten.

Deze oudere kaarten bestreken dan ook niet heel Nederland. Dit geldt ook voor de verzamelde gegevens. Voordat Napoleon het registreren van gegevens had gecentraliseerd, werden ze per stad verzameld. De protestantse kerk schreef mensen die lid waren van hun gemeente bij in de Doop-, Trouw- en Begraafregisters. Andersgelovigen konden hun huwelijk laten sluiten door het stadsbestuur, maar zijn niet terug te vinden in de Doopboeken. Compleet zijn al deze gegevens van voor 1810 dus niet.

Napoleons gegevens in HISGIS
Voor sommige HISGIS plattegronden, zoals die uit Friesland, zijn data uit de zeventiende eeuw of zelfs de Middeleeuwen gebruikt, maar HISGIS Amsterdam is voornamelijk een handige tool voor onderzoek naar de negentiende en twintigste eeuw. De kaarten op de site zijn digitaal gemaakt: het gaat dus niet om bestaande kaarten uit de negentiende eeuw die nu zijn ingescand, zoals bij de site watwaswaar.nl. De oudste kadastrale kaart van 1832, met bijbehorende eigenaars- en perceelinformatie vormt de kapstok waaraan alle digitale informatie over het landschap, het erfgoed en de sociale en economische ontwikkelingen in het verleden zijn opgehangen.

Verschillende wetenschappers leverde de tabellen met data voor aan deze kapstok. Zo bewerkte Peter Ekamper van het NIDI (Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut) de bevolkingsdata van 1851-1853 en historicus Jan Hein Furnée van de Universiteit van Amsterdam verzamelde en ordende de kiezersgegevens van 1853.

HISGIS is gemaakt door wetenschappers en de makers mikken voor het gebruik voornamelijk op collega’s. De plattegronden en de gekoppelde data zijn echter ook interessant voor iedereen die meer wil weten over de ontwikkelingen binnen een bepaald gebied. Maar hoe analyseer je nu die gevonden gegevens? Scholieren kunnen alvast oefenen bij de makkelijker te gebruiken onderwijssite eduGIS voor Aardrijkskunde. Wie gelijk aan de slag wil met historisch onderzoek en analyses bij HISGIS, vindt op de site een uitleg over de werkwijze.

Over HISGIS: Anno Domini 2005
HISGIS is in 2005 ontstaan in het hoge noorden. Het is een project van de Fryske Akademy, een instituut voor wetenschappelijk onderzoek naar de Friese taal, cultuur, geschiedenis en samenleving. De wetenschappers koppelden eerst data uit 1832 en 1700 aan Friese kaarten en vervolgens gegevens over middeleeuwse kloostergoederen. Deze informatie haalden zij uit verkoopgegevens van de Staten van Friesland uit de 17e eeuw.

Al snel volgden meer data en ook het gebied groeide. Ondertussen zijn naast Friesland de provincies Groningen, Overijssel, Utrecht, een deel van Drenthe en de gemeente Sittard-Geleen onder handen genomen. En nu is dus ook Amsterdam aan dit rijtje toegevoegd.

Het uiteindelijke doel is om heel Nederland in kaart te brengen. Maar de hoeveelheden data die achter de kaarten zitten, zijn enorm en het invoeren en het aan de kaarten koppelen kost daarom heel veel tijd. En geld.

Bronnen

- Projectleider professor Hans Mol

- Website van HISGIS

- HISGIS Amsterdam

- Fryske Akademy

- EduGIS

 

De koninklijke ambities van Amalia

Posted on October 23, 2013 at 1:10 AM Comments comments (0)

De vorstelijke aspiraties van de Oranjes gaan verder terug dan onze eerste koning Willem I. Zijn voorvader Frederik Hendrik en met name diens vrouw Amalia van Solms deden er alles aan om zich te kunnen meten met de vorstenhuizen uit hun tijd. Denk aan luxueuze paleizen, een hofleven gespiegeld aan het Franse hof en gunstige huwelijkspolitiek. En dat terwijl deze stadhouder slechts in dienst was van de Republiek.
(Het complete artikel, inclusief afbeeldingen, is 22 oktober 2013 gepubliceerd op Kennislink.nl, in het kader van de Maand van de Geschiedenis met thema Vorst & Volk.)

Frederik Hendrik was de zoon van Willem van Oranje, onze Vader des Vaderlands. Willem leidde de Nederlanders in hun Opstand tegen de Spanjaarden, maar een koning was hij allerminst. Wel een prins, van het prinsdom Orange, en daarmee de hoogste edelman in de Nederlanden en de aangewezen persoon om het op te nemen tegen de Spaanse koning.

Na de moord op Willem in 1584 werd zijn zoon Maurits benoemd door de jonge Republiek om zijn vader op te volgen als stadhouder. Zijn belangrijkste functie was die van opperbevelhebber van het leger, aangezien de oorlog nog in volle gang was.

Geen erfelijke opvolging
Maurits sterft in 1625 en zijn jonge halfbroer Frederik Hendrik, militair getraind door Maurits, is zijn logische opvolger als opperbevelhebber. Maar automatisch gaat dat niet: de Staten-Generaal benoemt de opperbevelhebber van leger en vloot. De stadhouder was van oorsprong de vertegenwoordiger van de koning in de provincie. Het stadhouderschap is dan ook geen erfelijk ambt, hoewel de Oranjes als hoogste edelen wel de eerste keus zijn.

Maurits laat geen wettelijke erfgenamen na en Frederik Hendrik is de erfgenaam van zijn halfbroer. Om de dynastie voort te zetten, trouwt vrijgezel Frederik Hendrik in 1625 op aandringen van de stervende Maurits met de Duitse gravin Amalia van Solms. Frederik Hendrik had de 18-jarige Amalia, die tevens zijn achternicht is, leren kennen in Den Haag. Zij is als hofdame naar Nederland gekomen, met de gevluchte Elisabeth Stuart, koningin van Bohemen.

Geld is nog geen status
Amalia is gewend aan het hofleven en ook Frederik Hendrik is als prins opgegroeid met luxe, maar het echtpaar mist de status die bij het koningschap hoort. Wanneer Piet Hein in 1628 een zilvervloot van de Spanjaarden verovert, stromen de miljoenen binnen. Amalia zou hierdoor met afstand de rijkste vrouw van de Republiek in de zeventiende eeuw zijn.

Met al dat geld kan ze haar grote vorstelijke voorbeeld Elizabeth imiteren en zich een koninklijk hofleven aanmeten. Met de nieuwe miljoenen bouwen ze imposante paleizen en buitenhuizen die natuurlijk ook ingericht moeten worden met meubels en kunstwerken. Frederik Hendrik en zijn vrouw zijn grote opdrachtgevers van de culturele sector in die tijd.

Frederik Hendrik is hiermee terughoudender dan zijn vrouw. Hij is zich er ten zeerste van bewust dat hij als stadhouder en militair in dienst is van de Republiek. De bestuurders moeten vooral niet het gevoel krijgen dat Frederik Hendrik hun onafhankelijkheid zal gaan aantasten door de koning uit te hangen. Op schilderijen laat hij zich dan ook steevast afbeelden in harnas, om zijn militaire functie te benadrukken.

Om de status van de familie verder te vergroten, zoekt Amalia geschikte huwelijkskandidaten uit voor haar kinderen. De grootste klapper maakt ze met haar zoon Willem II: wanneer hij 14 jaar is, trouwt hij met de Engelse koningsdochter Maria Stuart. Haar vader koning Karel I is blut en in ruil voor veel geld laat hij zijn dochter onder haar stand trouwen.

De latere zoon van het echtpaar, Willem III, zal de koningskroon van Engeland bemachtigen, waarmee Amalia haar zin zou krijgen. Maar zover is het nog niet. Haar dochters huwt ze uit, gewild of niet, aan Duitse vorstendommen en de Friese Nassaus. De prinselijke Oranjes krijgen door deze koninklijke huwelijken steeds meer status.

Briljant strateeg
Frederik Hendrik maakt ondertussen zijn functie van militair leider waar, en verovert verschillende steden op de Spanjaarden, zoals Den Bosch in 1629 en Breda in 1637. Hij zou er later de bijnaam ‘Stedendwinger’ voor krijgen. In die zelfde periode gaat het de Republiek economisch voor de wind. De kosten van de oorlog kunnen ze betalen en de Republiek beloont de stadhouder rijkelijk.

Vanwege zijn militaire successen overtuigt Frederik Hendrik de Republiek van het belang van de Oranjes. De provincies tekenen in 1631 de Acte van Survivance, waarmee ze instemmen met Willem II als nieuwe stadhouder bij de dood van Frederik Hendrik. De Staten-Generaal benoemt Willem vervolgens in 1639 tot beoogd opvolger van zijn vader als militair opperbevelhebber.

Frederik Hendrik zou het liefst de zuidelijke en noordelijke Nederlanden verenigd zien, maar aan het einde van zijn leven ziet hij in dat vrede gewenst is na decennia van oorlogsgeweld. Die vrede komt er in 1648, maar de verzwakte stadhouder maakt het niet meer mee. In 1647 sterft hij en wordt hij bij zijn vader Willem bijgezet, in de Nieuwe Kerk te Delft. Zijn vrouw is ontroostbaar. Het schijnt zelfs dat Amalia niet langs Delft kan reizen, zonder in tranen uit te barsten omdat haar geliefde daar begraven ligt.

Herdenkingszaal uit liefde
Vlak na de dood van Frederik Hendrik besluit Amalia om een mausoleum voor haar geliefde man op te richten. In het door hen gebouwde zomerverblijf Paleis Huis ten Bosch bij Den Haag laat ze de Oranjezaal ontwerpen ter ere van Frederik Hendrik. Pieter Post is de architect van het gebouw en Jacob van Campen ontwerpt het interieur van deze ontvangstzaal. Het moet een grote lofzang worden op haar man en diens deugden en heldendaden. Uit recent onderzoek (zie kader Bronnen) blijkt dat Amalia zich overal mee bemoeit: van de compositie en de symbolische voorstellingen (allegorieën) tot aan de schilders die het gaan uitwerken. De Oranjezaal houdt de nagedachtenis van haar man levend en de schildertechniek trompe l’oeil helpt deze schitterende schijnwereld te creëren.

Van Campen maakt schetsen, die hij samen met doeken naar schilders in het land stuurt om uit te werken. Een van de belangrijkste werken in de Oranjezaal is Frederik Hendrik de Triomfator, geschilderd door de Vlaamse schilder Jacob Jordaens. Hij is het niet helemaal eens met de ontwerpen die hij ontvangt, en oppert andere suggesties, waarop Amalia hem ontbiedt. Uit latere brieven blijkt dat zij met Jordaens overlegt wat er precies op zijn doek komt te staan en waar. Er komt niets op de muren zonder toestemming van Amalia.

Bij de Triomfator van Jordaens is de stadhouder als een vorst afgebeeld, hoog gezeten op een strijdwagen en omringt met symbolen die zijn daden en zijn status versterken. Hij rijdt door triomfpoorten die op doek zijn geschilderd. De beschildering loopt gedeeltelijk door op de houten lambrisering en wekt de indruk dat de zaal uit vier grote triomfpoorten bestaat. Het is de bedoeling dat de bezoeker het gevoel krijgt dat hij naar een tafereel kijkt dat zich werkelijk afspeelt.

Van Campen heeft zelfs het licht daar op afgestemd: licht via de ramen en de koepel op het dak versterkt het geschilderde licht op de schilderijen. Zo is het licht op een schilderij dat dichter bij het raam hangt feller en helderder geschilderd dan op een schilderij dat verder van het raam hangt. Ook de schaduwen van de figuren op de schilderijen zijn aangepast aan de lichtinval, alsof het hier om werkelijke schaduwen gaat.

De zaal is niet alleen een teken van Amalia’s liefde voor haar man, maar ze wil iedereen ook goed laten beseffen dat het stadhouderschap en de Oranjes onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Haar familie houdt de Republiek bij elkaar! De Triomftocht is gereed in 1651, vlak na de onverwachte dood van haar zoon Willem. Haar kleinzoon Willem III moet later hoe dan ook zijn vader en grootvader opvolgen en daar zal zij zich de rest van haar leven voor inzetten. De Oranjezaal legt de onwetende bezoeker nog eens haarfijn uit waarom juist de Oranjes geschikt zijn voor de posities van militaire opperbevelhebber en stadhouder.

Wie de Oranjezaal in de Gouden Eeuw bezoeken, is niet helemaal bekend. Volgens Elmer Kolfin, een van de wetenschappers die recent de Oranjezaal onderzocht, weten we wel dat toeristen in die tijd makkelijk een kijkje kunnen nemen in Huis ten Bosch. De Oranjezaal is een soort ‘must see’ en diplomaten lopen in en uit, net als de buitenlandse adel. Bezoekers uit de Republiek zelf zijn niet vastgelegd in bronnen, hoewel regenten regelmatig bij de machtige Amalia op bezoek komen. De nationale en internationale besluitnemers aanschouwen dus regelmatig de glorie van de Oranjes.

Losbol
In de 4 jaar dat handwerkslui en schilders hard aan de Oranjezaal werken, gebeurt er veel in het leven van Amalia. Haar zoon Willem II vindt ze een onwaardige opvolger van haar man. Frederik Hendrik was volgens Amalia een geniaal strateeg en staatsman, terwijl Willem maar een onverantwoordelijke losbol is. Ze is bang dat haar zoon de goede reputatie van de familie, waaraan zij en Frederik Hendrik 22 jaar hebben gebouwd, binnen ‘no time’ weer zal afbreken. Hoewel ze eerst voor de vrede was, keert ze zich er tegen na de dood van Frederik Hendrik: op het slagveld kan Willem zich nog enigszins waarmaken als militair leider. Willem II volgt zijn vader in 1647 op als stadhouder, zoals in 1631 al was afgesproken, en ook hij is tegen de vrede. Ondanks hun protesten tekent de Republiek in 1648 in Münster voor de vrede.

Willem is het vervolgens vaker oneens met de regenten die de Republiek besturen. In 1650 pleegt hij een staatsgreep om hun macht te breken en laat hij zijn politieke tegenstanders opsluiten in slot Loevensteyn. Als hij datzelfde jaar overlijdt, grijpen zijn tegenstanders opnieuw de macht en de provincies luiden een stadhouderloos tijdperk in (behalve in de noordelijke provincies, waar de Friese Nassaus het ambt vervullen). Bij zijn overlijden laat Willem II een een zwangere weduwe achter en acht dagen later komt Willem III ter wereld. Amalia laat zich niet zomaar in een hoek drukken door de Staten-Generaal. Ze zet zich jarenlang in om de eenmaal volwassen Willem III de functies van stadhouder en militair opperbevelhebber te laten krijgen.

Oranje eindelijk op de troon
In 1672 krijgt Amalia uiteindelijk haar zin: in dit Rampjaar, wanneer vijanden van de Republiek aan alle kanten aanvallen, is de roep om een Oranje groot. De Staten-Generaal benoemt Willem III in februari tot kapitein-generaal en zijn aanhangers zien in deze chaotische tijden hun kans. Enkele maanden later benoemen meerdere provincies hem ook tot stadhouder.

Willem ontslaat vervolgens 130 staatsgezinde (dus tegen Oranje) regenten en niet geheel onfortuinlijk worden zijn belangrijkste tegenstanders, de gebroeders De Witt vermoord. (Lang heeft het Haagse ‘gepeupel’ hier de schuld van gekregen, maar tegenwoordig zijn wetenschappers er van overtuigd dat Willem III hier een hand in heeft gehad.) Met de oorlog gaat het vervolgens de goede kant op: Willem krijgt steun van Spaanse en Duitse zijde en in 1674 is de vijand verslagen.

Zijn grootste triomf behaalt hij echter in het buitenland. Na de dood van de kinderloze Engelse koning Karel II in 1685, komt de katholieke Jacobus II op de troon. Hij geeft onmiddellijk meer vrijheden aan zijn katholieke onderdanen, waar de protestantse Engelsen verre van blij mee zijn. Ze bieden de troon aan aan de protestantse dochter van Jacobus II, Maria Stuart, en haar man Willem III. Willem en zijn leger landen in 1688 bij de Engelse kust en zonder bloedvergieten (ook wel de Glorious Revolution) genoemd) stoten ze door naar Londen. Vanaf 1689 mag Willem zich officieel koning van Engeland noemen, waarmee de felbegeerde koningskroon eindelijk in handen van de Oranjes kwam.

Amalia maakt dit laatste niet meer mee. Ze sterft in 1675, maar ze zal trots op haar ambitieuze kleinzoon zijn geweest.

Bronnen en verder lezen
Het boek De Oranjezaal in Huis ten Bosch. Een zaal uit loutere liefde van Margriet van Eikema Hommes en Elmer Kolfin ligt vanaf 16 oktober 2013 in de winkels.

Het achterliggende interdisciplinaire onderzoek van Eikema Hommes (TU Delft) en Kolfin (UvA) is mogelijk gemaakt door NWO en het boek door het RCE.

Meer informatie over politiek in Gouden Eeuw en de (ambities van de) Oranjes is te lezen in:
- Maarten Prak, Gouden Eeuw, Het Raadsel van de Republiek (Amsterdam, 2012)
- Wout Troost, Willem III, stadhouder – koning ((Hilversum, 2001)

Verdwenen paradijs of verachtelijke kolonie? Verhalen uit Nederlands-Indi? (1900-1940)

Posted on October 12, 2013 at 1:20 AM Comments comments (0)

In het filmmuseum EYE is een bijzonder stukje geschiedenis te zien. Of eigenlijk gecomponeerde geschiedenis. De Hongaarse kunstenaar Péter Forgács mixte vooroorlogse privé-filmpjes uit Nederlands-Indië met brieven uit dezelfde periode tot de filminstallatie ‘Sluimerend Vuur’.
(Het complete artikel, inclusief afdbeeldingen, is op 11 oktober 2013 gepubliceerd op Kennislink.nl)

Péter Forgács had niets met Nederlands-Indië – geen wortels, geen kennis, geen idee eigenlijk – voordat hij aan dit project begon. Toch was hij de juiste man om met de uitgebreide collectie privéfilmpjes uit Nederlands-Indië aan de slag te gaan.

Hij bewerkt sinds de jaren ’80 privé-filmpjes tot kunstwerken, waarmee hij een nieuw licht werpt op de betreffende geschiedenis. Dit deed hij ook al eerder met Nederlandse geschiedenis, zoals De maalstroom: een familiekroniek van amateurfilmpjes uit de periode 1939-1942 over de in de Holocaust omgekomen joodse familie Peereboom.

Een lange aanloop
Forgács is al bijna 20 jaar bezig met het Nederlands-Indië project. In eerste instantie zou het amateur-filmmateriaal bewerkt worden voor televisie. Dit plan belandde in de ijskast omdat het onderwerp nog te gevoelig lag. Het EYE durfde het 15 jaar later wel aan om een tentoonstelling aan het onderwerp te wijden. Het filmmuseum bezit meer dan 100 uur aan amateurbeeldmateriaal uit Indië en wilde dat graag aan het publiek laten zien, maar hoe pak je dat aan met amateurfilmpjes?

Péter Forgács koos voor de vormgeving van een installatie in plaats van het maken van een film van anderhalf uur. Zo kon hij veel meer archiefmateriaal tonen: in totaal 6 uur, verdeeld over 15 schermen. Elk scherm “vormt een universum op zichzelf”, zegt Forgács: het vertelt een opzichzelfstaand verhaal. De filmpjes die je ziet, zijn voorzien van commentaar uit brieven. Deze brieven zijn geschreven in dezelfde periode als de amateurfilmpjes zijn gemaakt en werden gestuurd naar familie in Nederland. De brieven komen voornamelijk uit de collectie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden.

Onderzoek in brieven, boeken en filmarchiefEveline Buchheim, onderzoeker bij het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD), heeft de collectie bestudeerd en de brieven geselecteerd voor het project. In sommige gevallen is het beeldmateriaal en de brief van dezelfde hand, maar nog vaker heeft Péter Forgács de twee media bij elkaar gebracht en bewerkt. Hij pretendeert dan ook niet ‘ware geschiedenis’ te tonen. Zijn werk is geen objectieve documentaire maar een persoonlijke interpretaties van de koloniale geschiedenis.

Om de complexiteit van de cultuur en de geschiedenis te kunnen begrijpen, heeft Péter Forgács alle boeken die hij kon vinden over Nederlands-Indië bestudeerd. Hij is tot de conclusie gekomen dat geschiedenis niet zwart-wit is: “Jullie Nederlanders hoeven Indië niet te romantiseren maar jullie zouden je ook niet moeten schamen over de Nederlandse rol in de Oost. Het is niet alleen zwart-wit, goed versus slecht, maar een groot grijs gebied.” Geen romantisch paradijs maar ook geen verachtelijk kolonie.

Veranderingen in de Archipel
Rond 1900 veranderde de Nederlands-Indische samenleving in rap tempo. Steeds meer blanke Europeanen arriveerden en vestigden zich voornamelijk op Java. In 1880 leefde de helft van de Nederlandse mannen nog samen met Indische (bij)vrouwen maar met de komst van Europese vrouwen kwam daar verandering in. De huishoudens werden steeds meer op Europese wijze ingericht en de afstand tussen de Indonesiërs, de gemengde bevolking en de Europeanen groeide.

Deze visie is ook terug te vinden in de installaties. We zien blije Nederlanders die zich vriendelijk gedragen tegen hun bedienden en in de brieven besmuikt praten over het feit dat er überhaupt bedienden zijn. Veel Nederlanders die naar Indië waren verhuisd, waren dat van huis uit niet gewend. Dat hun in de Archipel geboren kinderen dat wel waren, en de bedienden een stuk dwingender behandelden, wordt eveneens met een zweem van schaamte meegedeeld. Maar net zo makkelijk wordt geschreven dat de Indonesiërs geen fijn karakter hebben: opvliegend, jaloers en al met al van slechte invloed op Europeanen.

Acht abortussen
Bijzonder is ook om te zien hoe blanke Nederlanders (totoks) en Indo’s (kruising van blanke Nederlander en Indonesiër) met elkaar omgingen. De gekleurde Nederlander lijkt volgens de beelden gelijk aan de blanke Nederlander: ze feesten samen, rijden samen auto (waarvan er in Indië al veel meer reden dan in Nederland) en eten samen. Maar ondertussen vertelt een anoniem Indo-meisje dat de Nederlandse jongens hard voor haar weglopen als het een eerzame relatie betrof. Uiteindelijk lukt het haar om een ‘echte’ Nederlander te trouwen, maar hier moest ze een hoge prijs voor betalen. In haar pogingen een volbloed Hollander te strikken heeft ze sinds haar tienerjaren acht abortussen ondergaan en eigenlijk is ze verliefd op heel iemand anders.

Het minderwaardigheidscomplex van de Indonesiërs zit volgens de Nederlandse briefschrijver Willem Walraven diep en ze willen allemaal blank zijn. De Indonesische vrouwen waar de Nederlandse mannen het voor de gezelligheid mee aanleggen, gaan er dan ook niet van uit dat ze legitieme echtgenotes zullen worden. Ze vinden dat, tot de verbazing van de briefschrijver, ook geen probleem, zolang de man maar voor de kinderen blijft zorgen als hij genoeg van haar heeft. (Walraven kwam in 1915 als KNIL-soldaat naar Indie en trouwde in 1922 met de Indonesische Itih.)

Al met al is de tentoonstelling ‘Sluimerend Vuur’ een bijzondere mix van indringende verhalen en voornamelijk vrolijke beelden. Het is echter geen historisch of politiek statement: met zijn project wil Forgács het normale leven tonen in Nederlands-Indië tijdens de bloeitijd van de kolonie. Hoe Europeanen met elkaar en met de Indonesiërs omgingen, de feestjes, het familieleven, de uitgebreide rijsttafels… Forgács wil op deze manier een nieuwe laag toevoegen aan de geschiedschrijving over Nederlands-Indië en is daar aardig in geslaagd.

Bronnen (via EYE filmmuseum)

EYE- Willem Walraven, Brieven – Aan familie en vrienden 1919-1941, Uitgeverij G.A. van Oorschot

- Anonieme brieven in Paul W. van der Veur, Race and color in Colonial Society: Biographical sketches by a Eurasian women concerning pre-World War II Indonesia in In Indonesia 8 (oktober 1969), p 69-80.

- Overige brieven uit de collectie van het KITLV

 

Fotografie wetenschappelijk?!

Posted on September 24, 2013 at 1:20 AM Comments comments (0)

Deze week is het Fotoweek. Tijd voor Kennislink om eens een kijkje te nemen in de wetenschappelijke keuken van de fotografie. Is die er eigenlijk wel? Maartje van den Heuvel, conservator fotografie aan de Universiteit Leiden, legt uit wat wel en niet wetenschappelijk is aan foto’s en waarom.
(Complete artikel, inclusief afbeeldingen, is 23 september gepubliceerd op Kennislink.nl)

In het kader van de nationale Fotoweek (20-29 september) wordt donderdag 26 september het symposium ‘Kijk, mijn familie’ georganiseerd in Paradiso te Amsterdam. Het symposium gaat over portret- en familiefotografie en ook foto’s van studio Merkelbach komen aan bod. Meer info over het symposium.

Om met de deur in huis te vallen: er is niets wetenschappelijks aan fotografie op zich, volgens Van den Heuvel. “Net zomin als tekst op zich wetenschappelijk is. Maar fotografie is een goed onderzoeksinstrument, een bron van informatie. In het verleden zijn er al veel discussies gevoerd over het wetenschappelijke aan fotografie. Vandaag de dag is de gangbare opvatting dat fotografie een medium is om fenomenen mee te documenteren.”

In wetenschapsland zijn de meningen over een theoretische canon en methodieken voor fotografie verdeeld en de discussies hierover worden voornamelijk in het buitenland gevoerd. Maar ondertussen worden er wel degelijk foto’s gebruikt binnen de wetenschap en op een steeds grotere schaal. Je kunt hierbij denken aan fotografie als onderzoeksinstrument. Foto’s worden gebruikt als hulpbron van wetenschappelijke informatie, bijvoorbeeld de röntgenfoto of het fotograferen van het opgravingsterrein bij archeologie.

Daarnaast is er het onderzoek naar fotografie als medium van kunst of communicatie in de pers en tijdschriften. Studies die het laatste onderzoeken, zoals kunstgeschiedenis, bestuderen foto’s als object. En er komen steeds meer disciplines bij die gebruik maken van fotografie of haar bestuderen, zoals mediawetenschappen, filosofie, antropologie, etnologie, sociologie, de natuurwetenschappen en natuurlijk de geschiedwetenschappen.

Fotografie en geschiedenis
Bij historisch onderzoek wordt beeldmateriaal steeds belangrijker. De geschiedwetenschappen onderscheidt drie typen onderzoek naar fotografie:

1) Onderzoeken naar fotografie als ‘macht in het verleden’, waarbij de maatschappelijke functie van fotografie centraal staat.

2) De bestudering van de geschiedenis van de fotografie (waarbij de overzichtswerken voornamelijk door fotografen zijn geschreven).

3) De foto als bron: wat staat er op een foto, wat vertelt dit ons en wat betekent dit?

Als bron van onderzoek wint de foto terrein binnen de wetenschap. Er worden steeds meer fotocollecties gedigitaliseerd en ontsloten voor onderzoek. Niet alleen databases van archieven maar ook websites als Het Geheugen van Nederland en het Nederlandse Fotogenootschap verwijzen naar een schat aan fotografisch onderzoeksmateriaal. “Heel belangrijk hierbij is metadatering zegt Van den Heuvel. “Geen enkele foto is op zich informatief: er moet context en informatie bij. Wat zien we, waar gaat het over? Het is dus heel belangrijk dat deze bijbehorende informatie goed wordt verzameld, bewaard en ontsloten.”

Voor historisch onderzoek is het proces van betekenisgeving erg belangrijk. Hierbij staat centraal waarom foto’s worden gemaakt zoals ze eruit zien en hoe de foto’s in de geschiedenis worden gebruikt. Er is zelfs al een aparte tak binnen wetenschap die zich met dit soort vragen bezig houdt, namelijk Visual Culture Studies. Deze discipline gaat ervan uit dat al het visuele een geconstrueerde werkelijkheid is en onderzoekt dit vanuit verschillende culturele invalshoeken, waaronder fotografie.

Nieuwe disciplines
De toegevoegde waarde van visuele informatie voor de wetenschap is de aanvulling bij tekstuele informatie. Foto’s geven een heel andere soort informatie dan tekst en fotografie wordt dan ook steeds meer ingezet als nieuwe vorm van wetenschappelijk onderzoek. Voorbeelden van studies waarbij foto’s een belangrijk middel van informatiewinning vormen zijn visuele antropologie en visuele sociologie. Zonder fotografie zouden dit soort studies niet kunnen bestaan.

Ondanks de grotere interesse vanuit de wetenschap voor de fotografie, vindt Van den Heuvel dat het nog een stuk beter kan: “Fotografie als historische bron wordt nog niet goed genoeg beheerd en bewaard. Bij onderzoeksinstituten staan nog altijd wegkwijnende foto’s die voor weinigen bereikbaar zijn. Of er is geen geld om ze te digitaliseren. Dat geld komt pas als de vraag vanuit de wetenschap, om deze foto’s te kunnen bestuderen, verder stijgt.

Al aardig wat collecties zijn nu online te vinden, maar met meer dan de helft van de collecties binnen universiteiten en onderzoeksinstituten is nog altijd niets gebeurd. Daarnaast hebben we ook geen centrale beeldbank of portal in Nederland om wegwijs te geraken in wetenschappelijke fotocollecties, terwijl dit wel mogelijk is voor tekstbronnen.”

Van den Heuvel is van mening dat onderzoekers slecht de weg kunnen vinden naar de Nederlandse fotocollecties. “Ze gebruiken voornamelijk collecties die al online te vinden zijn of baseren zich op eerder gepubliceerd materiaal. Het echte ploeterwerk in originele fotocollecties gebeurt te weinig! Neem het voorbeeld van de kunstgeschiedenis. In het Angelsaksische taalgebied wordt ieder strominkje binnen de geschiedenis van de fotografie onderzocht. We nemen die informatie over maar onderzoek in eigen land blijft achter.

Over de groep Britse fotografen uit de 19e eeuw bijvoorbeeld, die zich The Brotherhood of the Linked Ring ging noemen en fotografie als kunstvorm ging gebruiken en promoten, zijn meerdere prachtige tentoonstellingen en boeken verschenen. In Nederland had je rond 1900 ook dit soort bewegingen, onder meer in Haarlem. Daar is ooit één artikeltje over verschenen en verder ligt het onderzoeksmateriaal te verstoffen.”

Wetenschappelijk onderzoek achter tentoonstellingen
De Universiteit Leiden bezit de oudste en grootste museale fotocollectie van het land, die een compleet overzicht geeft van het ontstaan en de ontwikkeling van de fotografie. Leiden is ook de eerste universiteit in Nederland die een doctorstitel op het gebied van de fotografie verleende, namelijk aan Ingeborg Leijerzapf in 1996. De jaren ‘90 was de tijd waarin de (wetenschappelijke) aandacht voor fotografie begon te groeien. Sindsdien zijn vier fotografiemusea opgericht (het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, het Fotomuseum in Den Haag en Huis Marseille en FOAM in Amsterdam) en zij organiseren veel en mooie tentoonstellingen, meestal over één fotograaf of een project van een fotograaf.

Van den Heuvel: “Zeker mooie tentoonstellingen en het is ook de taak van musea om nieuw, niet eerder getoond werk te tonen. Maar vaak mist het wetenschappelijk onderzoek naar de thematiek, achtergronden, verbanden met maatschappelijke verschijnselen en andere visuele uitingen in binnen- en buitenland. Dit is in de meeste gevallen niet de basis van deze tentoonstellingen. De tentoonstellingen waar wel wetenschappelijk onderzoek aan ten grondslag liggen, zijn meestal overgenomen uit het buitenland. En dat is jammer. Op deze manier blijven in ons eigen land kansen liggen voor onderzoek naar fotografie.”

Recent wetenschappelijk onderzoek achter fotografie
Op dit moment is in het Stadsarchief Amsterdam de tentoonstelling te zien over portretten uit 1913-1969 door de Amsterdamse fotostudio Merkelbach. Van den Heuvel: “Voor deze tentoonstelling heeft conservator en auteur/redacteur Anneke van Veen bijzonder onderzoek verricht: hoe deze fotostudio functioneerde, hoe men keek naar portretten, wat de foto’s teweeg hebben gebracht. Een heel grondig onderzoek naar een relatief scherp afgebakend onderwerp van één portretstudio dus. Zelfs de glasplaten zijn bestudeerd om meer te weten te komen over de werkwijze van de fotograaf en de implicaties daarvan.”

Vijf onderzoekers uit verschillende vakgebieden, waaronder Van den Heuvel, werkten deelonderwerpen van het onderzoek uit zoals de mode-, theater- en filmfotografie van Merkelbach.

Biografie
Maartje van den Heuvel studeerde in 1993 af als kunsthistorica aan de Universiteit Utrecht en is sinds 2007 conservator fotografie aan de Universiteit Leiden. Daarnaast is ze bezig met haar promotieonderzoek, dat zich richt op de verbeelding in hedendaagse fotografie van het Nederlandse landschap, in vergelijking met de weergave door kunstschilders.

Van den Heuvel tijdens de Mr. K.J. Cath prijsuitreiking in 2012. Zij kreeg deze prijs wegens het ontsluiten van de Leidse fotocollectie als centrum voor wetenschappelijk onderzoek naar fotografie. Universiteit Leiden

 

Kader: Onderzoeker gezocht?
Op zoek naar een wetenschapper op het gebied van Nederlandse fotografie en mediacultuur? Ze hebben hun eigen netwerk, genaamd Scherptediepte. Hun wetenschappelijke publicaties zijn te vinden in het open-accesstijdschrift Depth of Field.

Bronnen

- Interview met Maartje van den Heuvel, Universiteit Leiden

- Henri Beunders en Martijn Kleppe, Een plaatje bij een praatje of bron van onderzoek? Fotografie verwerft geleidelijk een plek in de historische wetenschap, Groniek 187 (2010)

- Oratie Frits Gierstberg (Erasmus Universiteit, 2007)

 

Zeemansvrouwen beschrijven het nieuws

Posted on September 12, 2013 at 1:25 AM Comments comments (0)

Tijdens de vele oorlogen die de Republiek uitvocht, kaapte de vijand nog wel eens Hollandse schepen. De in beslag genomen post werd bewaard, als legitiem bewijs dat het om een vijandig schip ging. Eeuwen later wordt deze gekaapte post bestudeerd. De brieven blijken een unieke blik te werpen op het leven van gewone mannen en vrouwen. Ze beschreven niet alleen hun persoonlijke sores, maar bleken ook geïnteresseerd in het nieuws.
(Het complete artikel, inclusief beeldmateriaal, is op 11 september gepubliceerd op Kennislink.nl)

Judith Brouwer promoveert 12 september 2013 op haar onderzoek ‘Levenstekens. Gekaapte brieven uit het Rampjaar 1672.’ Zij onderzocht aan de hand van gekaapte brieven hoe gewone mensen dit Rampjaar beleefden. Kennislink voelde haar hierover aan de tand.

Waarom heeft u het Rampjaar gekozen om te onderzoeken?

“In het Rampjaar gebeurde heel erg veel op politiek vlak en ook nog eens in een heel korte tijd. De Republiek werd van drie kanten aangevallen: door de Franse koning Lodewijk XIV, door de vloot van de Engelse koning Karel II en door de Duitse bisdommen Munster en Keulen. Dit was nog nooit gebeurd in zijn geschiedenis. De steden vielen als bosjes en binnen enkele weken waren de Fransen al bijna bij Holland.”

“Het leek erop dat heel het land opgeslokt zou worden door de vijand. Uiteindelijk zou Holland nooit bezet worden, maar dat wisten de briefschrijvers niet. De meeste van hen zaten in Holland en wachtten met angst en beven af op wat komen zou. Dit is terug te vinden in de brieven uit dat jaar. Nu is er al veel onderzoek gedaan naar het Rampjaar, maar nog nooit naar de beleving door de mensen zelf, waaronder de laagste klasse. En dat maakt het onderwerp zo interessant.”

Hoe beleefden de gewone mensen het Rampjaar dan?

“De totale onzekerheid waarin de briefschrijvers en de mensen om hen heen verkeerden in dat jaar, drukte een stempel op de brieven. Vrouwen van zeelieden leefden altijd al in onzekerheid over het wel en wee van hun mannen, maar nu kwam deze oorlog er nog eens bij. Dat betekende niet alleen meer vijanden dus onveiligheid voor de mannen, maar ook armoede en gebrek thuis.”

“En natuurlijk de onzekerheid of de vijand door zou stoten naar Holland, met alle gevolgen van dien. Wat ook niet meehielp, waren de vele nieuwsberichten. Er gebeurde heel veel en dat moest allemaal zo snel mogelijk gedrukt worden. Kranten kregen hun informatie vaak van getuigen of uit derde hand en er was geen tijd om het te verifiëren. Nieuwsberichten spraken elkaar tegen, wat de onzekerheid nog extra vergrootte.”

Uit wat voor soort brieven haalde u deze informatie?

“Ik heb 195 brieven, geschreven door mensen uit de Republiek in het rampjaar 1672, grondig bestudeerd. Iets meer dan de helft van de brieven kwam van echtgenotes van zeelieden en zij schreven vooral privé-brieven. De andere brieven waren voornamelijk van kooplieden. Zij schreven niet alleen zakelijke brieven: wanneer ze de geadresseerde kenden stond er ook veel privé-nieuws in.”

Werden de brieven door de vrouwen zelf geschreven?

“Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik dat brieven van meerdere afzenders hetzelfde mooie en gelijkmatige handschrift hadden. Ik ben naar het Stadsarchief van Amsterdam gegaan om de aktes van ondertrouw van deze vrouwen op te zoeken: die moesten namelijk ondertekend worden. Dit bleek vaak met een kruisje te zijn gebeurd, wat betekent dat deze vrouwen niet konden schrijven. Voor hun brieven maakten ze dus gebruik van een professionele schrijver. Een andere optie was om een familielid of kennis de brief te laten schrijven, maar die schreven vaak een stuk minder netjes.”

Maakte het qua inhoud nog uit of de brief door iemand anders werd geschreven?

“Dat verschilde: soms schreef de professional een standaard riedeltje, maar dat kan ook met de inspiratie van de afzender te maken hebben. Vaak genoeg maakte het niet uit wie schreef. Vrouwen blijken heel open en zegden hun mannen, via de briefschrijver, goed de waarheid. Of juist brieven vol ‘lieverdje dit, lieverdje dat en ik mis je zo…’. Daar werd geen aanstoot aan genomen.”

“Een ander voorbeeld is een brief aan een echtgenoot, in opdracht van zijn vrouw geschreven door zijn zoon Leendert van Boort. Eerst schrijft de jongen de woorden van zijn moeder op, onder andere dat ze hem mist en hoopt dat hij snel thuiskomt. Daarna neemt hij zelf het woord en bedankt hij zijn vader voor de rekenlessen die goed van pas komen. Dit levert een hele leuke stijlbreuk op. En een onhandige inktvlek.”

“Nog een voorbeeld is Marietje Theunis uit Amsterdam. Ze neemt geen blad voor de mond, ook al laat ze haar brieven aan haar man Harman Andriessen Layemaker in Batavia door een schrijver optekenen. Harman heeft namelijk veel schulden gemaakt, ondanks zijn redelijk betaalde baan bij de VOC.”

“Ze schrijft dat ‘de schuldeisers maar aan haar deur blijven kloppen, zodat ze nu zelfs de kinderen moet rondsturen met de bedelstaf. Heeft hij wel enig idee hoe ze zich voelt? Hij kan beter oppassen, anders komt ze naar Batavia toe om hem eens goed de waarheid te vertellen!’ Helaas is onbekend hoe het met Marietje is afgelopen, maar Harman heeft nog een paar keer bijgetekend bij de VOC. Hij was nog niet van zijn schulden af of hij durfde niet meer naar huis terug…”

Schrijven geletterde briefschrijvers hetzelfde over politiek als de zeemansvrouw?

“De meer ontwikkelde briefschrijvers gaan dieper op de zaak in dan de gemiddelde zeemansvrouw, maar de laatste benoemt het wel. Van de 195 brieven komen in 187 brieven politiek en actualiteit aan bod, dus ook bij de vrouwen. In de Republiek heerste een nieuwscultuur: er was veel nieuws voorhanden en het werd snel verspreid.”

“Tot nu toe dachten wetenschappers dat dit nieuws gebruikt werd door mannen uit de hogere en middenklasse, zoals kooplieden. Uit mijn onderzoek blijkt dat ook de lagere klasse en zelfs vrouwen toegang hadden tot nieuws, er geïnteresseerd in waren en er zelfs naar verwezen in hun brieven. Ze stuurden ook weleens de krant mee (die telde toen slechts een dubbelzijdig bedrukt blad).”

En zijn er verschillen te zien in de mening van een koopman en een zeemansvrouw?

“Het bleek helaas lastig om uit de brieven meningen te filteren. Brieven werden vaak via via verstuurd en het risico bestond dat ze in verkeerde handen zouden vallen (wat met deze brieven ook is gebeurd). Een te stellige politieke mening was belastend voor de briefschrijvers dus de briefschrijvers deden aan zelfcensuur.”

“Daarnaast was het doel van de brief uit die tijd om te informeren en om een teken van leven te geven, niet om de lezer te overtuigen van een mening. Die gaf de schrijver dan ook niet heel stellig. Iedereen die zijn mening wilde verkondigen en mensen wilde overtuigen, kon een pamflet schrijven. Dit gebeurde wel vaak anoniem, om geen problemen met de overheidsinstanties te krijgen.”

Ziet u veranderingen optreden in de besproken onderwerpen gedurende het jaar?

“Voor mijn onderzoek heb ik vooral brieven uit mei en november gebruikt en je ziet een groot verschil in deze maanden. In mei was de oorlog net uitgebroken en begonnen de brieven met dit onderwerp. Daarna gingen de briefschrijvers pas over op de persoonlijke informatie.”

“Enkele maanden later is het omgekeerde het geval. De oorlog is al even bezig dus dat is niet meer het hoofdnieuws. Eerst wordt de persoonlijke ellende besproken, zoals de tekorten en de onzekerheid, voordat de schrijvers overgaan op de actualiteiten. Een vrouw schrijft bijvoorbeeld dat ze elke zondag met de kinderen bij buurvrouw Antje mag komen eten. Zo zijn de magen van de kinderen in ieder geval een keer per week goed gevuld.”

Kunnen bestaande denkbeelden na uw onderzoek in de prullenbak?

“In onderzoeken van enkele decennia geleden gingen wetenschappers er nog vanuit dat tot ongeveer 1800 ouders weinig liefde hadden voor hun kinderen: moeders lieten borstvoeding vaak over aan de min en veel kinderen stierven jong. Ouders hechtten zich niet aan hun kinderen, was het idee. Vandaag de dag denkt men hier al anders over, maar deze brieven geven ook echt het bewijs van ouderliefde. Vrouwen schrijven naar hun mannen vol liefde over de kinderen: hoe ze opgroeien, leren staan en lopen, wat voor kleren ze dragen en wat ze op school hebben geleerd. En hoe ze om hun vader roepen.”

“Daarnaast zijn de gekaapte brieven niet eerder op grote schaal onderzocht, behalve bij het project Brieven als buit van de Universiteit Leiden, waarbij gekeken wordt naar het taalgebruik. Mijn onderzoek is het eerste promotieonderzoek naar de brieven met een cultuurhistorische benadering van het Rampjaar. De brieven bieden een nieuwe blik op deze periode, namelijk van onderop. Zij vormen een unieke bron: in eerdere onderzoeken naar het Rampjaar is nooit primair bronnenmateriaal van de lagere klasse gebruikt. Dit aspect is tot nu toe onderbelicht gebleven.”

De bronnen

De door de Engelsen gekaapte brieven zijn in de jaren tachtig per toeval ontdekt in The National Archieves te Kew, maar pas in 2005 is onderzoek gedaan naar de hoeveelheid brieven. Het bleken er meer dan 38.000 te zijn.

Deze schatting komt van Roelof van Gelder, die de inventarisatie heeft gemaakt. Hierbij heeft hij echter geen dozen van bijvoorbeeld Deense of Franse schepen opengemaakt, terwijl die ook Nederlandse post konden vervoeren.

Sinds deze week zijn meer dan duizend zeventiende- en achttiende-eeuwse Nederlandse brieven uit gekaapte schepen voor iedereen online beschikbaar.

 

De wetenschapper

Judith BrouwerHistorisch Letterkundige Judith Brouwer (Amsterdam, 1979) promoveert 12 september aan de Faculteit der Letteren van de RUG op haar dissertatie ‘Levenstekens. Gekaapte brieven uit het Rampjaar 1672.’

Haar onderzoek bouwt voort op haar onderzoeksmasterscriptie aan de UvA, over enkele tientallen buitgemaakte brieven uit het Rampjaar.

“Tijdens mijn studie had ik al gekozen voor de richting Historische Letterkunde en hiervoor veel geschiedenisvakken gevolgd. Zo rolde ik richting de cultuurhistorie en deze lijn heb ik doorgetrokken tijdens mijn promotie. De grenzen tussen de vakgebieden zijn vaak niet zo strikt. Historische Letterkunde kan niet zonder Geschiedenis en andersom ook niet.”

Vanaf december 2013 ligt de handelseditie van haar proefschrift, met de titel Levenstekens. Gekaapte brieven uit het Rampjaar 1672 in de winkels.

 

Kralen uit de ruimte

Posted on August 21, 2013 at 1:30 AM Comments comments (0)

Wetenschappers hebben 5000 jaar oude kralen uit Egypte onderzocht. Met röntgenstralen en neutronenactivering stelden ze onomstotelijk vast dat het materiaal uit de ruimte komt. Ook zagen ze hoe het materiaal – ijzermeteoriet – bewerkt was. De oude Egyptenaren gebruikten daarbij technieken die de IJzertijd ver vooruit waren.
(Het complete artikel inclusief beeldmateriaal is op 20 augustus gepubliceerd op Kennislink.nl)

De kralen uit circa 3200 voor Christus waar het hier om gaat, liggen in het Petrie Museum of Egyptian Archaeology van University College London (UCL). Ze werden in 1911 opgegraven uit twee graftombes bij het dorpje Gerzeh, enkele tientallen kilometers van Caïro. Hier zijn tussen de 200 en 300 graftombes te vinden die stammen uit een tijd nog vóór die van de farao’s.

Deelnemend wetenschapper Thilo Rehren (UCL Archaeology, Qatar) over het onderzoek: “Er is weinig bekend over de individuele personen die hier lagen begraven. We nemen aan dat het gaat om een gemeenschap van landbouwers en vissers. De inhoud van de meeste graven is ongeveer hetzelfde, waaruit we kunnen concluderen dat de samenleving vrij egalitair was. De eerste tekenen van sociale stratificatie zijn hier echter al te zien. In een van de graven lag een grote harpoen van koper en een steen in de vorm van een vis.”

“De kralen van ijzermeteoriet waren verdeeld over de graftombes van twee jongens, samen met andere waardevolle spullen. Kralen van lapis lazuli uit Afghanistan, goud, ivoor en tanden van een jackhals. Maar ook snippers hars van een boom en gewone stenen.”

“Dat laatste had waarschijnlijk persoonlijke waarde: ook nu nemen jongens nog van alles wat hen interesseert mee naar huis om te bewaren. Niets wijst echter op een speciale positie van deze jongens in hun samenleving. Het is zonde dat ze niet langer hebben geleefd. Met hun nieuwsgierigheid waren ze vast de onderzoekers van hun tijd geworden.”

Nieuwe techniek, nieuw resultaat
Gelijk bij de opgravingen in 1911 dachten archeologen al dat het materiaal van de kralen wel eens uit de ruimte zou kunnen komen, maar bewijzen konden ze het niet. De kralen waren bij hun ontdekking al helemaal gecorrodeerd en zouden dus ook van het aardse magneetsteen gemaakt kunnen zijn, vanwege de gelijkenis met gecorrodeerd ijzer.

De wetenschap zat ondertussen niet stil en tegenwoordig kunnen we door middel van neutronenactivering en gammastralen de samenstelling van materialen vast stellen, zonder het kapot te hoeven maken. Dit is precies wat de wetenschappers van UCL hebben gedaan. Bij het scannen van de kralen, maten de onderzoekers hoge concentraties van de elementen nikkel, kobalt, fosfor en germanium, wat karakteristiek is voor ijzermeteoriet. In ijzererts zijn deze stoffen ook wel te vinden, maar slechts in hele kleine hoeveelheden.

Rehren over de resultaten van het onderzoek: “De meest opwindende uitkomst is dat we voor het eerst onweerlegbaar hebben kunnen aantonen dat er specifieke sporenelementen, zoals kobalt en germanium, in de kralen aanwezig zijn. En in hoeveelheden die alleen maar voorkomen in ijzermeteoriet.” Geen twijfel meer dus dat de kralen regelrecht uit de ruimte komen.

IJzertijd schuift op
Een ander belangrijk resultaat van het onderzoek is dat nu duidelijk is hoe de meer dan 5000 jaar oude kralen tot stand zijn gekomen. De oude Egyptenaren gebruikten werktuigen van koper en stenen hamers, waarmee ze de stukken ijzermeteoriet voorzichtig plat sloegen tijdens het smeden. De dunne bladen rolden ze op tot buisjes en deze buisjes dienden als kralen aan een waardevolle ketting. Het smeden van ijzermeteoriet – een mengsel van ijzer en nikkel – verschilde echter substantieel van traditionele bewerkingstechnieken, zoals het hakken of doorboren van stenen kralen.

De Egyptenaren beheersten het smeden van het harde maar broze ijzermeteoriet dus al in het vierde millenium voor Christus en niet pas in de IJzertijd, die zo’n 2000 jaar later begon. Vanaf die periode ging men ijzer winnen uit ijzererts door middel van verhitting. De metaalbewerkers uit Egypte hadden toen dus kennelijk al bijna twee millennia ervaring met het smelten en bewerken van ijzer. Volgens de onderzoekers was deze kennis essentieel voor de ontwikkeling van het proces waarmee ijzer uit ijzererts gewonnen kon worden.

De Egyptenaren waren echter niet de enige die al voor de IJzertijd kunstvoorwerpen maakten van ijzermeteoriet. Rehren: “De bewerkte kralen van Gerzeh zijn de oudste, maar kunstvoorwerpen van ijzermeteoriet uit de bronstijd zijn over heel de wereld te vinden; van Siberië tot Noord-Amerika en van Turkije tot Indonesië. Niet verrassend, aangezien meteoriet al miljarden jaren overal uit de lucht komt vallen. Het materiaal was dan ook niet superzeldzaam. Vooral de Sahara was – en is nog steeds – een goede plek om brokstukken te vinden: ze vallen goed op in het witte zand. Dit geldt ook voor het ijs- en sneeuwlandschap van Antarctica, maar we kunnen er van uitgaan dat de Egyptenaren daar niet kwamen…”

Geschenk van de goden
Vanaf de IJzertijd zou ijzer het populairste metaal worden. Vooral als gebruiksmateriaal zou het brons en koper gaan vervangen. Maar tot het zover was, maakten de oude Egyptenaren mooie kunstvoorwerpen van hun ijzermeteoriet. Van de kralen regen ze kettingen, samen met andere waardevolle materialen, zoals goud en ivoor. Rehren: “IJzermeteoriet werd alleen gebruikt ter decoratie, zoals kralen aan een ketting. Zelfs een dolk van Toetankhamon, gemaakt van ijzermeteoriet met een gouden handvat, was puur voor de show, niet om te gebruiken.”

De verwerking van zowel ijzermeteoriet als edelmetaal in sieraden toont volgens de onderzoekers aan hoeveel waarde de Egyptenaren hechtten aan het bijzondere metaal. Er wordt zelfs gedacht dat zij het ijzermeteoriet als een geschenk van de goden zagen. Deze laatste theorie komt van een andere groep Engelse wetenschappers, die dezelfde kralen heeft onderzocht. Zij kwamen enkele maanden geleden naar buiten met hun onderzoeksresultaten.

Rehren over de verschillen tussen de onderzoeken: “De wetenschappers van De University of Manchester hebben zich meer gericht op de spirituele waarde die de Egyptenaren hechtten aan het ijzermeteoriet. Wij hielden ons voornamelijk bezig met de manier waarop de metaalbewerkers het ijzer bewerkten. Daarnaast hebben we andere technieken gebruikt om vast te stellen dat het hier echt om materiaal uit de ruimte ging. Manchester gebruikte de rasterelektronenmicroscoop en kon daar slechts de oppervlakte van het materiaal mee analyseren.”

“Onze wetenschappers waren in staat om heel het materiaal te analyseren met behulp van gammastralen ( PGAA). Onze methode is de enige methode die onomstotelijk kan vaststellen dat het onderzochte materiaal germanium bevatte: het essentiële bestanddeel van ijzermeteoriet. Manchester kon met de rasterelektronenmicroscoop slechts aantonen dat de kralen nikkel en kobalt bevatten. Deze bestanddelen zijn echter ook gevonden in ijzeren voorwerpen, die door mensenhanden zijn gemaakt. Germanium maakt het echte verschil.”

Bronnen
- Samenvatting van het onderzoek van University College London Qatar in Journal of Archaeological Science, Jaargang 40, deel 8, pagina 3105-3368, augustus 2013.
- Eurekalert van 19 augustus 2013.
- Samenvatting van het onderzoek van The University of Manchester in Meteoritics & Planetary Science, Jaargang 48, deel 6, pagina 997–1006, juni 2013.

Geen plek voor Nederlanders: De Indonesische revolutie in beeld

Posted on August 17, 2013 at 1:35 AM Comments comments (0)

Soekarno riep 17 augustus 1945 de Republiek Indonesië uit, twee dagen na de capitulatie van Japan. Onafhankelijkheid was jaren de droom geweest van velen en nu was het eindelijk zover. Weg met die Hollanders! Maar klopt dit beeld wel? Historicus Remco Raben geeft zijn visie.
(Complete artikel inclusief beeldmateriaal is gepubliceerd op 16 augustus 2013 op Kennislink.nl)

Voor de Tweede Wereldoorlog waren de Nederlanders duidelijk de baas in Nederlands-Indië. Zij bestuurden het land, smoorden eventuele opstanden in de kiem en verdienden veel geld aan de export van de koloniale producten.

De grote meerderheid van de miljoenen boeren en arbeiders bleef onderontwikkeld maar de middenklasse van Nederlands-Indië groeide. Hun kinderen kregen voor het eerst fatsoenlijk onderwijs en sommigen gingen zelfs studeren aan een van de Nederlandse hogescholen.

Dit gold ook voor de latere president Soekarno. Eenmaal in het studentenmilieu kwamen de jongeren in aanraking met de nationalistische ideologieën die in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw ook door Europa waaiden. De jonge intellectuelen namen deze denkbeelden over en wilden van de Nederlandse kolonisator af.

In 1927 richtten Soekarno en andere leden van de Algemene Studieclub de PNI op: Partai Nasional Indonesia of de Indonesische Nationalistische Partij. Een onafhankelijke republiek was hun ideaal.

Blij onthaal Japanners
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vielen de Japanners Nederlands-Indië binnen. Historicus Remco Raben van de Universiteit Utrecht vertelt daarover: “Veel intellectuelen verwelkomden de Japanners aanvankelijk enthousiast. Zij zagen Japan als een voorbeeld: het land dat nooit een kolonie was geweest en zichzelf opnieuw had uitgevonden en gemoderniseerd. En ze gooiden die Nederlanders eruit. De ‘gewone’ bevolking daarentegen keek de kat uit de boom en hield zich niet erg bezig met politiek. Maar er zat iets van belofte en verandering in de lucht en men vroeg zich af of ze een slaatje konden slaan uit de komst van de Japanners.”

De Japanners beloofden de Indonesiërs dat ze het land zouden vernieuwen en verbeteren. Wat dit precies inhield, was niet duidelijk. Ondertussen werden Nederlanders en Europeanen in kampen gestopt, samen met Indonesische krijgsgevangen en andere dissidenten in de ogen van de Japanners. Maar na een jaar Japanse bezetting was de liefde wel over. De verwachte onafhankelijkheid kwam niet, integendeel; Japan gebruikte Indonesië voor eigen gewin en de economie raakte in het slop.

Sommige Indonesiërs wisten wel van de bezetters te profiteren: een mooi voorbeeld hiervan waren de kunstenaars, afkomstig uit de middenklasse. Onder de Nederlanders kregen zij weinig mogelijkheden om zich te ontwikkelen, maar de Japanners schonken hun geld en scholing.

Veel kunstenaars grepen deze kans met beide handen aan. Zij kregen tekenlessen, de ruimte en fondsen om hun werk tentoon te stellen en de kans om zich onderling te verenigen. Raben: “De kunstenaars wilden bovenal hun stijl en techniek verbeteren. Dat nam niet weg dat ze de Japanners wel degelijk als bezetters zagen. De kunstenaars die voor de bezetter propagandamateriaal maakten, deden dit om hun boterham te verdienen, niet uit ideologische overwegingen.”

Kunst legitimeert revolutie
Na de overgave van Japan in 1945 begon een onrustige en gewelddadige periode in Indonesië. De strijd om de onafhankelijkheid brak uit en veel schilders gebruikten revolutionaire thema’s in hun kunst. Zij ondersteunden de strijd met hun schilderijen. In Nederland zelf drong het idee al snel door dat Nederlands-Indië onafhankelijk zou worden, maar in welke hoedanigheid was nog niet duidelijk.

Vlak na de oorlog was er veel aandacht voor het land en ook voor de kunst. Burgemeester W.A.J.Visser uit Den Haag hoopte de culturele betrekkingen tussen Nederland en Indonesië te verbeteren. Hij opende in 1947 de tentoonstelling met werken van de Javaanse kunstenaarbroers Agus en Otto Djaya in het Haags Gemeentemuseum. Twee jaar later organiseerde het Haagse Hotel des Indes een tentoonstelling met werk van de kunstenaarsgroep Gelanggang (strijdperk).

Raben: “Linksgeoriënteerde museumdirecteuren met een voorkeur voor een onafhankelijk Indonesië, hielpen hier graag aan mee. En tussen de kunstwerken hingen ook zeker schilderijen met politieke lading, maar recensies uit die jaren besteedden er eigenlijk weinig aandacht aan.”

De nieuwe president Soekarno vond Indonesische kunst erg belangrijk: het gaf de nieuwe republiek een eigen gezicht. Uit het onderzoek voor het boek ‘Beyond the Dutch. Indonesië, Nederland en de beeldende kunsten van 1900 tot nu’ kwam naar voren dat hij ook een kleine vinger in de pap heeft gehad bij de tentoonstellingen in Nederland.

Raben: “De president gaf de kunstenaars toestemming om in Nederland te studeren en hun werk tentoon te stellen. Hij noemde dit culturele spionage. Dit betekende vooral dat Soekarno de Nederlanders wilde laten zien dat Indonesië een bloeiende nationale cultuur had. Indonesische kunst rechtvaardigde de revolutionaire claim van onafhankelijkheid.”

Gekraak en geschreeuw
In Indonesië zelf hielden vooral de intellectuelen zich bezig met de strijd om onafhankelijkheid. Het idee bestaat dat heel Indonesië een hekel had aan de Nederlanders. Dit beeld wordt bevestigd door aanvallen van revolutionaire strijders en relschoppers op Nederlanders die na de oorlog uit de kampen werden vrijgelaten.

Raben: “Dit beeld is niet juist. De haat tegenover Nederlanders was niet zo groot onder de bevolking, dat was meer een sentiment onder de Indonesische elite. Veel Nederlanders kunnen beamen dat het personeel heel trouw was en blij, toen ze terugkwamen uit de kampen. De gewapende groepjes die Nederlanders aanvielen waren aanvankelijk klein. Hoewel de aanvallen uitzonderingen waren en geen massaal geweld, waren het er genoeg om duizenden slachtoffers te maken en de Nederlandse gemeenschap enorm te intimideren.”

Na de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië, die uiteindelijk in 1949 werd erkend door de Nederlandse regering, vertrokken de meeste Nederlanders uit Indonesië. Daarmee verwaterde ook de aandacht voor het land, terwijl er van alles aan de gang was. Raben: “De jaren ’50 waren een razend spannende periode. De Indonesische autonomie was niet voor iedereen de beste optie want wie moest de baas worden? Christelijke minderheden en Indonesiërs die met de Nederlanders hadden gevochten, zoals de Ambonezen, vluchtten naar Nederland.”

“In Indonesië had niemand ervaring met het opzetten van een eigen staat dus het was een groot experiment. ‘Wie zijn we en hoe gaan we dat vormgeven?’ Dit soort discussies zouden nog jarenlang na de onafhankelijkheid gevoerd worden. Iedereen, communisten, moslims, enzovoort, wilde de nieuwe staat op zijn eigen manier vormgeven. Er ontstond veel strijd tussen Indonesiërs onderling en er braken opstanden tegen de regering in Jakarta uit. Burgeroorlogen, etnische conflicten, moord op oude adellijke bestuurders. De strijd was dus een stuk ingewikkelder dan alleen maar het gevecht tegen de kolonisator. De samenleving zocht een weg om zichzelf vorm te geven, met veel gekraak en geschreeuw. Het is vergelijkbaar met de situatie in Egypte nu.”

Tegenwerkende ministeries
De overgang van kolonie naar staat is ter plekke onderzocht voor het onderzoeksproject Van Indië tot Indonesië Het onderzoek naar deze geschiedenis van de Indonesische onafhankelijkheid ging niet zonder slag of stoot. Indonesische politici hadden last van nationalisme en waren bang dat de Nederlanders er met hun geschiedenis vandoor gingen.

Raben: “We moesten soms echt op eieren lopen en we hebben het ook het wel eens aan de stok gehad met ministeries. Het ging hier toch om hun vrijheidsstrijd. Een ander probleem was dat veel archieven nog niet openbaar waren. Het is nog te kort geleden sinds Soeharto’s dictatuur weg is (1998). Maar de openheid over de eigen geschiedenis ontwikkelt zich nu langzaam. Ongeveer twee jaar geleden kwam er een nieuwe archiefwet die meer openheid geeft: archieven uit de jaren ’50 komen daarmee geleidelijk beschikbaar. Dit was helaas te laat voor ons onderzoek dus we gebruikten kranten en interviews, en weinig archieven van de overheid. Maar de nieuwe generatie plaatselijke historici, die bij het project betrokken zijn geweest en een training hebben gekregen, kunnen het onderzoek naar deze cruciale periode uit hun eigen gescheiden voortzetten.”

Deze plaatselijke historici werden voor het eerst op grote schaal ingezet bij een Nederlands onderzoek. Zij interviewden samen met de Nederlandse de onderzoekers de bevolking, over hun ervaringen met de overgang van Nederlands-Indië naar Indonesië. Van negatieve sentimenten tegenover Nederlanders merkte Raben niets tijdens de interviews: "Het belangrijkste was empathie tonen. En door blijven vragen. Daarbij wilde de lokale bevolking juist dolgraag hun verhaal vertellen. In Indonesië zelf is de geschiedenis van de kolonisatie en revolutie heel stereotype geworden. Maar deze Indonesiërs hadden ook veel ervaring met geweld van mede-Indonesiërs of zelfs de eigen regering en dat verhaal konden ze nu eindelijk kwijt.”

Over Remco Raben en het NIOD onderzoek
Historicus Remco Raben (Universiteit Utrecht) is coauteur van het in 2010 verschenen boek Beyond the Dutch. Indonesië, Nederland en de beeldende kunsten van 1900 tot nu.

Daarnaast is hij een van de onderzoekers van het NIOD onderzoeksproject ‘Van Indië tot Indonesië’. Op dit moment schrijft hij het afrondende boek, dat volgend jaar zal verschijnen.

Het onderzoek in het kort…

“De geschiedenis over de onafhankelijkheid van Indonesië gaat altijd over politiek. Wij wilden nu over de maatschappij schrijven en daarmee ook over ‘gewone mensen’. Zij werden in eerdere onderzoeken over het hoofd gezien. We keken naar sociale gebeurtenissen, zoals hoe mensen aan de kost kwamen. Dan blijkt dat politieke breuklijnen voor hen een andere rol spelen.”

Welke voormalige denkbeelden kunnen nu de prullenbak in?

“Er bestaat altijd het idee dat het koloniale regime repressief was. Het is echter belangrijk om ook te beseffen dat de koloniale overheersing wel gewelddadig was, maar in wezen heel mager. De koloniale staat had weinig mankracht en was verre van allesoverheersend. De koloniale overhead had niet de ambitie noch de middelen om Indië als een verzorgingsstaat te regeren, zoals in Nederland wel het geval was. Dat heeft de samenleving slecht voorbereid op de onafhankelijkheid.”

 


Josephine Cochrane, de selfmade woman

Posted on August 2, 2013 at 1:40 AM Comments comments (0)

De vrouw in het rijtje beroemde uitvinders ontwikkelde haar apparaat in eerste instantie om seksegenoten een handje te helpen. Maar vooral hotels en medische instellingen zagen het nut van de snelle en kokendheet wassende afwasmachine. Kennislink sprak mevrouw Cochrane over haar moeizame weg naar succes en de inspiratie voor haar uitvinding. “Van society dame naar verkoper was een grote en gewaagde stap.”
(Het complete artikel inclusief beeldmateriaal is op 1 augustus 2013 gepubliceerd op Kennislink.nl)

De afwasmachine is niet meer weg te denken uit de keuken van menig hedendaags westers huishouden. Het apparaat was bedoeld om de huisvrouw een handje te helpen, ware het niet dat de man des huizes daar geen geld aan wilde verspillen. Pas na de Tweede Wereldoorlog kregen vrouwen meer zeggenschap over hun tijdsbesteding en huishoudportemonnee, waarna de opmars van de vaatwasser pas echt goed kon beginnen.

Tot die tijd waren voornamelijk de grote keukens van hotels, restaurants en ziekenhuizen enthousiaste afnemers van de ‘Garis-Cochran afwasmachine’. Het ontwerp zou uiteindelijk in handen komen van Whirlpool en tot op de dag van vandaag worden afwasmachines nog naar hetzelfde ontwerp gebouwd. In de lobby van het Palmer House Hotel legt mevrouw Cochrane vol vuur uit hoe dat komt.

Goedemiddag mevrouw Cochrane. Wilt u uitleggen waarom u in dit hotel wilde afspreken?

“Hier heb ik mijn eerste deal gemaakt! Geweldig, zoiets vergeet je nooit meer. Ik stierf namelijk duizend doden toen ik voor het eerst mijn afwasmachine moest zien te verkopen. Ik zat in mijn eentje in deze hotellobby te wachten op de manager. Ik had nog nooit alleen in een lobby gezeten, dat was iets voor gevallen vrouwen! Op hoop van zegen dat niemand dat van mij dacht, liep ik naar het kantoor van de manager. De langste meters van mijn leven, maar het is me gelukt: hij wilde mijn vaatwasser hebben!”

Was dat de grootste hobbel tijdens uw ondernemerschap?

“Bij lange na niet. Het moeilijkste was wel het overtuigen van betweterige ingenieurs. Ik had hen nodig om mijn machine te bouwen, maar zij zagen me niet voor vol aan. Ik was een vrouw zonder technische opleiding dus mijn inzichten en ervaring telden niet mee voor hen. Ze wisten het stuk voor stuk allemaal beter, gingen vervolgens met hun eigen visie aan de slag om uiteindelijk te concluderen dat mijn manier inderdaad de beste was! Heel vermoeiend en daarnaast kostbaar. Gelukkig had ik in 1898 genoeg kapitaal om een eigen fabriek te laten bouwen en het op mijn manier te doen.”

Hoe kwam u op het idee om een afwasmachine te ontwerpen?

“Het servies uit de familie van mijn man dateert uit de 17e eeuw. Een enorm kostbaar erfstuk dus! Maar het personeel maalt daar niet om. Na een van onze vele diners kwam ik er achter dat van enkele borden stukjes waren afgebroken. Sindsdien waste ik zelf de erfstukken af, maar daar kreeg ik al snel genoeg van. Het hete water, de agressieve zeep en het geschrob is namelijk heel slecht voor je huid. En omdat niemand anders in deze tijd van technologische vooruitgang de moeite nam om een afwasmachine te maken, besloot ik het zelf maar te doen.”

“Met de plannen al in mijn hoofd en enkele ontwerpen op de tekentafel, overleed mijn man. Helaas zadelde hij me met een enorme schuld op en werd het ineens noodzaak om iets met mijn vinding te doen. Ik voelde namelijk aan mijn water dat er vraag naar een afwasmachine zou zijn en dat ik hier mijn geld mee zou kunnen verdienen.”

Zit er nog een sociaal motief achter de afwasmachine?

“Ik moet eerlijk zeggen dat mijn man een stuk socialistischer was dan ik. Hij was leider van de plaatselijke democratische partij en tijdens zijn begrafenis was iedereen uit de wijde omtrek uitgelopen. De zaal zat stampvol met bewonderaars, aanhangers en andere gelijkgestemden die hem hun laatste respect brachten. Dat was wel anders toen die republikein Abraham Lincoln een bezoek bracht aan ons stadje Shelby na de Burgeroorlog. Republikeinen moeten we hier niet. Nog geen drie man en een paardenkop waren op straat om hem te begroeten!”

Is het dan terecht dat men u ook wel een snob noemt?

“Nee, belachelijk! Ik hou van een luxe leven met bedienden en rangen en standen. Wel zo duidelijk. Maar dat wil niet zeggen dat ik hardwerkende bedienden geen afwasmachine gun, want dat doe ik wel degelijk! Afwassen is een hels karwei, zeker na een diner met 40 man. En ja, ik kwam op het idee omdat mijn mooie servies aan gruzelementen ging, maar maakt dat iemand tot een snob?”

“Wie dat vindt is of jaloers op mijn succes – hoewel ik er nooit rijk van ben geworden – of is een vent. Mannen vinden maar al te vaak dat ik in de keuken hoor te blijven in plaats van het leven van hun vrouwen makkelijker te maken! Dat was ook precies de reden waarom ik de afwasmachine niet aan huishoudens verkocht kreeg. De mannen gaan over het budget en vonden de uitgave te duur. Laat moeder de vrouw of de bediende maar lekker afwassen, dat is gratis. Kortzichtig, want tijd is ook geld.”

Hoe verklaart u het succes van de vaatwasser?

“Toen bleek dat huishoudens niet zaten te wachten op een automatische afwasser, moest ik mijn doelgroep bijstellen. Een vriend van mij bracht me in contact met een van de grootste hotels van de Verenigde Staten, het Palmer House in Chicago. Hier waren ze bereid om naar mijn verhaal te luisteren en de machine te proberen. Ze vonden het geweldig! Het bleek 75% in personeelskosten te schelen, wat afwassers betreft, en nog meer aan behoud van het servies.”

“Maar mijn grote doorbraak volgde op de Chicago Wereldtentoonstelling in 1893. Op dit soort evenementen komen altijd hordes mensen af die allemaal willen eten dus had ik de organisatie benaderd. Zij wilden graag mijn vaatwassers gebruiken en uiteindelijk stonden er wel negen te draaien. Servies van 1000 soldaten was normaal een nachtmerrie maar nu een peulenschil voor slechts een machine. Tot verbazing van het personeel was het binnen 30 minuten brandschoon. Daarnaast won mijn uitvinding, als een van de weinige vrouwelijke inzendingen, ook nog de hoofdprijs voor het beste Machinaal Ontwerp op de tentoonstelling. Dit was goede reclame.”

Wat vonden de afwassers van uw machine?

“Regelmatig protesteren afwassers tegen de komst van mijn machine, uit angst voor hun baan. Maar de technologische vooruitgang hou je niet tegen. Het scheelt tijd en geld voor ondernemers dus als ik de afwasmachine niet lever, kopen ze hem bij een ander. Daarnaast blijven er mensen nodig om het apparaat te bedienen, hoewel dit ook door een dienstmeid of zelfs een kind gedaan kan worden. Zo gemakkelijk is het.”

“Trouwens, de afwasmachine is vanwege het gebruik van kokend water ook uitermate geschikt voor gebruik buiten de horeca. Ziekenhuizen bijvoorbeeld zijn dolblij met mijn uitvinding nu de bacteriën van het servies worden gewassen. Een smetteloze afwas is goed voor de volksgezondheid. Mijn machine is dus meer dan een inpikker van banen!”

En de concurrentie?

“Tja, die blijf je houden. In 1886 heb ik mijn eerste patent aangevraagd en in de loop van de jaren bleef ik de machine verbeteren en nieuwe patenten aanvragen. In totaal wel zes stuks. Zo bleef ik de concurrentie voor.”

Het gerucht gaat dat u helemaal niet de uitvinder bent van de afwasmachine. Wat vindt u hiervan?

“Het klopt dat er al eerder patenten zijn aangevraagd voor afwasmachines, zoals die van Joel Houghton uit 1850. Maar deze machines werkten handmatig of met borstels. Mijn uitvinding is dat de vaat schoon wordt door waterstralen met zeep. Daarna afspoelen met kokend water, wat ook het droogproces versnelt, en vervolgens nadrogen. En voila, binnen 2 minuten een schone vaat zonder brokken. De vaat wordt in rekken vastgezet in een koperen ketel en het water wordt van onderuit naar boven gepompt. In eerste instantie hadden we een goedkope en kleine versie met handpomp en een grotere en geavanceerde versie met een motortje. Maar al snel kregen ook de kleintjes ruimte voor een motortje, wat de machines iets duurder maakte maar ook praktischer.”

Een mooi verkooppraatje mevrouw, dat kunt u in ieder geval prima.

“Oefening baart kunst. Ik kan je alleen wel vertellen dat ik nooit deze weg had gekozen, als ik van te voren had geweten welke angsten ik zou moeten overwinnen. Dan had ik het veel te eng gevonden. Van society dame naar verkoper is nogal een grote en gewaagde stap. Maar de ervaringen die ik in de afgelopen jaren heb opgedaan, had ik voor geen goud willen missen! Mijn overgrootvader zou trots op me zijn geweest…”

Uw overgrootvader? Is hij uw grote voorbeeld?

“Inderdaad, hoewel de goede man in zijn eigen dagen Crazy Fitch werd genoemd. Iedereen denkt dat die neppert van een Robert Fulton de stoomboot heeft uitgevonden, maar dat is dus mooi niet zo. Opa John Fitch deed dat al 50 jaar eerder en hij voer zelfs drie zelfgemaakte en prima functionerende stoomboten tussen Philadelphia en Trenton. Helaas kreeg hij weinig investeerders zo ver om kapitaal in zijn uitvinding te steken en ging hij failliet.”

“De arme man probeerde zich dood te drinken en toen dat uiteindelijk niet lukte, pleegde hij zelfmoord met opiumpillen. En Hamilton maar pronken met zijn stoomboten! Maar in onze familie is opa altijd een groot uitvinder gebleven! Het zit blijkbaar in mijn genen, ondanks het gebrek aan een technische opleiding. En nu is het genoeg geweest, tijd is geld. Op naar de volgende klant!”

Korte biografie Josephine

1839: geboren in Ashtabula County, Ohio (VS)

1858: trouwt met William Cochran

1883: haar man overlijdt

1886: het eerste patent voor de Garis-Cochran vaatwasser

1893: Wereldtentoonstelling in Chicago (VS)

1898: opening eigen fabriek

1911: het 6e en laatste patent

1913: overlijdt door uitputting

 

Dit artikel maakt onderdeel uit van de serie ‘Uitzinnige Uitvinders gesproken’, waarbij acht beroemde uitvinders ‘fictief geïnterviewd’ worden.

Bronnen
- J.M. Fenster, The Woman Who Invented the Dishwasher. Invention & Technology, Fall 1999, volume 15
- Mary Ellen Snodgrass, Ency Kitchen History (New York, 2004)
- Autumn Stanley, Mothers and Daughters of Invention: Notes for a Revised History of Technology (Scarecrow Press 1993)
- Susan Casey, Women Invent! Two Centuries of Discoveries That Have Shaped Our World (Chicago, 1997)


Rss_feed